Wormen bewerken het wad

Wormen bewerken het wad

 

Wanneer je van de dijk het wad op loopt, ervaar je eerst de pracht en praal van de kwelder. Loop je nog verder in de richting van de zee, dan wordt de ondergrond steeds minder begroeid met vegetatie. Uiteindelijk verdwijnt de plantengroei van de kwelder en kom je op het wad, de bodem van de Waddenzee.

 

Inmiddels plakt er al een hoop slik aan je schoenen, dus je bent waarschijnlijk lekker over de bodem aan het glibberen. Wat valt je als eerste op als je op het wad staat? Zijn het die gekke hoopjes zand die eruitzien als drolletjes? Dit zijn de drollen van de wadpier, Arenicola marina. Deze worm eet de bodem van het wad en haalt hier al zijn voedingstoffen uit. Het zand en slik waar de voedingsstoffen al uit zijn gehaald, poept hij weer uit en dat zijn de drolletjes die je op het wad ziet liggen. Door het eten en uitpoepen van de bodem, bewerkt de wadpier zijn omgeving: hij zorgt voor omwoeling van de bodem. Daarom mogen we de wadpier een biobouwer noemen. De wadpier is misschien wel een van de meest bekende wormen van het wad. Toch is het goed om te weten dat er nog vele andere wormen in de bodem van de Waddenzee leven. Sommige van deze andere soorten zijn ook biobouwers, maar minder bekend of populair dan wadpier. Loop nog maar een stukje verder het wad op in de richting van de zee. Let wel op het getij want je komt nu al op een diepte van -40 tot -70 t.o.v. NAP.

Op deze diepte vind je waarschijnlijk ook mosselbanken en/of oesterbanken en als je goed kijkt, zie je kleine boompjes van zand en schelp uit het wad steken. Dit zijn de kokers van de schelpkokerworm, Lanice conchilega. De schelpkokerworm is ook een biobouwer. Maar in plaats van de bodem omwoelen en destabiliseren zoals de wadpier doet, vangt de schelpkokerworm het zand en slik in met zijn kokers waardoor de bodem juist stabiliseert. Over het algemeen wordt de schelpkokerworm tussen de één en drie jaar oud. Hij voedt zich met organisch materiaal uit de waterlaag. Wanneer de worm gestorven is, kan de koker waarin de worm geleefd heeft tot nog wel negentig dagen blijven staan. De structuur van deze kokers is erg belangrijk voor de larven van de schelpkokerworm. De larven worden ingevangen door de bestaande kokers en zo wordt een nieuwe generatie gestart op dezelfde plek. Op deze manier houdt een ‘rif’ van schelpkokerwormen zichzelf in stand. 

Of we een dichtheid aan schelpkokerwormen een rif mogen noemen, hangt af van de dichtheid aan kokers, van de verhoging van het rif ten opzichte van het wad en van de periode dat de kokers stabiel op dezelfde plek aanwezig zijn. Door het invangen van zand en klei verhogen de schelpkokerwormen het wad. De wormen kunnen ‘meegroeien’ met deze verhoging door hun kokers langer te maken. Hierdoor verdwijnen de kokers niet onder het zand en houden de wormen toegang tot de waterlaag voor voedsel.

De stabiliteit van een rif is op zijn beurt weer sterk afhankelijk van omgevingsfactoren zoals de krachten van golfslag en stroming van het water. Daarnaast zijn schelpkokerwormen gevoelig voor koude winters; in een koude winter kan een hele populatie doodvriezen. Ook verstoring van de bodem speelt een belangrijke rol.

 

Ondanks dat er al veel bekend is over de schelkokerworm, blijft het toch de vraag waar en wanneer deze worm riffen vormt op het Nederlandse wad en of dat kan bijdragen aan een hogere stabiliteit van wadplaten. Daarom voert Janne Nauta experimenten en observaties uit op het wad rondom Schiermonnikoog. Wil je meer informatie, dan kan je haar gegevens opvragen bij het Nationaal Park.

 

Klik op de afbeeldingen om deze te vergroten