Zenderonderzoek Koekoek

In het kader van een internationaal samenwerkingsproject, geleid door Kasper Thorup van het Zoölogisch Museum in Kopenhagen en Chris Hewson van de BTO in Engeland, zijn er in 2021 verspreid door Europa koekoeken gezenderd. Doel is het in kaart brengen van de knelpunten in de jaarcyclus van deze trekvogel. In Nederland werden er door de Rijksuniversiteit Groningen negen vogels gezenderd, waaronder een juveniele vogel die op zaterdag 28 augustus op het Vogelringstation Schiermonnikoog werd gevangen.

 

Koekoeken nemen al decennia af. Deels is dit het gevolg van de afname van de waardvogels waar de koekoek op parasiteert, zoals bijvoorbeeld de graspieper. Naast problemen in het broedgebied hebben koekoeken ook problemen tijdens de trek en in het wintergebied. Door de vogels te zenderen kunnen deze knelpunten in kaart worden gebracht. Daarmee draagt het zenderonderzoek bij aan de bescherming van de soort.

 

De koekoeken werden uitgerust met ICARUS zenders. Dit is een nieuw tracking systeem ontwikkeld door onderzoekers van het “Max-Planck-Institut für Verhaltensbiologie” te Konstanz/Radolfzell. De communicatie-antenne van het ICARUS systeem is op het ISS gemonteerd. ICARUS is een nieuw systeem en de koekoek is uitgekozen als één van de demonstratiesoorten. Naast dat we (hopelijk) veel over de koekoek gaan leren is het project ook bedoeld om praktijkervaring met het systeem op te doen.

 

Op 13 september verliet de jonge koekoek Schiermonnikoog om ten zuiden van Dokkum een weekje rond te hangen. Toen draaide het ISS waardoor de antenne, onverwacht, de verkeerde kant op wees en we een tijdje geen posities van de koekoek ontvingen. Maar op 12 oktober ontvingen we weer een nieuw signaal uit Niger. De koekoek was nog onderweg want de volgende posities kwamen uit Nigeria waar de vogel een maand verbleef in de bossavanne ten zuiden van de Sahel. Op 11 november is de koekoek doorgevlogen naar Gabon. Waarschijnlijk is deze plek midden in het regenwoud de plek waar de vogel de winter gaat doorbrengen.

 

Raymond Klaassen, Rijksuniversiteit Groningen