Weetjes over de lepelaars van Schiermonnikoog

Sinds 1992 broeder er lepelaars op Schiermonnikoog. Van 1997 tot 2014 kleurringde Otto Overdijk, toenmalig beheerder van Natuurmonumenten, vele lepelaars. Hij voerde de gegevens in, in een door hemzelf gebouwde database. In een tijd dat er nog amper databases waren. Dat is van groot belang geweest voor wat we te weten zijn gekomen over de lepelaars. 

Door nauwe samenwerking met onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (NIOZ), zijn deze gegevens geanalyseerd. Ook verzamelen onderzoekers aanvullende gegevens in de kolonie (zoals het verzamelen van braaksels van jonge lepelaars) en zorgen zij voor het zenderen van enkele lepelaars.

 

Nu verkeren we als natuurbeheerders en onderzoekers in de gelukkige omstandigheid dat we onder andere weten:

  • hoe nieuwe vestigingen van kolonies tot stand komen (waar komen de immigranten vandaan, blijven individuen na vestiging terugkomen, hoe zijn de vestigingen op verschillende eilanden met elkaar verbonden);
  • dat kolonies op de Waddeneilanden na een aantal jaren snelle groei opmerkelijk snel een plafond bereiken;
  • dat dit te maken heeft met dichtheidsafhankelijke (hoogstwaarschijnlijk voedselgestuurde) processen die maken dat de groei en het aantal kuikens dat per nest uitvliegt (het broedsucces) bij groeiende kolonies snel afnemen;
  • dat voor lepelaars op Schiermonnikoog maar ook elders op de andere eilanden garnalen veel minder belangrijk zijn als voedsel dan we dachten, en de schaarse kleine platvissen juist veel belangrijker;
  • dat de kolonie van Schiermonnikoog haar huidige grootte al rond het jaar 2000 bereikte, en dat die mogelijk is dankzij het feit dat de mannetjes lepelaars ’s nachts hun vis gaan halen in de visrijke ondiepe wateren van het Lauwersmeer;
  • dat de meeste sterfte van uitgevlogen jongen plaatsvindt in het broedgebied en tijdens hun eerste trek naar het zuiden (60% haalt de eerste winter niet), en dat deze sterfte is toegenomen van 30% bij 1200 broedparen tot 60% bij 2800 broedparen;
  • dat lepelaars weliswaar in grote aantallen in West-Afrika overwinteren (en dan met name in Mauritanië en Senegal), maar steeds meer in Europa ‘blijven hangen’ waar de overleving momenteel ook hoger is dan in West-Afrika.

Deze lijst is niet compleet, maar geeft een idee van de rijkdom aan verhalen die mogelijk zijn geworden doordat natuurbeheerders en onderzoekers samenwerken. De wereld verandert enorm, door klimaatverandering en lokale menselijke ingrepen. Op het eiland, aan de overkant - in het Lauwersmeer- en natuurlijk overal langs de trekroute. De situatie van gisteren en vandaag is volkomen anders dan de situatie van morgen. Wij denken daarom dat we de lepelaars moeten blijven volgen. Dat kan hen helpen (wat heeft de lepelaar in 2020 nodig?), en het kan ons helpen (vertellen lepelaars ons misschien iets belangrijks over onze wereld?).

 

Petra de Goeij, Rijksuniversiteit Groningen en Werkgroep Lepelaar

 

 foto rechtsonder: Theo Fase