Kruldistel en Knikkende distel

Inleiding

In de zomer van 2002 vonden wij op Schiermonnikoog, bij de duinovergang naar het Badstrand tussen strandpaal 5 en 6, temidden van een gemengde populatie van Kruldistel (Carduus crispus L.) en Knikkende distel (Carduus nutans L.) een aantal van beide soorten afwijkende planten. Na enige studie bleek al snel dat het hier om tussenvormen van beide distelsoorten ging en dat gemengde populaties met daarin deze bastaardtypen op meerdere plaatsen op het eiland bleken voor te komen.
In de jaren 2002, 2003 en 2004 zijn deze populaties gevolgd met als doel om tot een beschrijving van de kenmerken van de gevonden bastaarden te komen en een verklaring te vinden voor de aanwezigheid van bovengenoemde gemengde populaties op Schiermonnikoog.

Korte historie van het voorkomen van de Kruldistel en Knikkende distel op Schiermonnikoog

Franciscus Holkema vermeldt in zijn dissertatie over "De plantengroei der Nederlandsche Noordzee-eilanden" voor Schiermonnikoog het voorkomen van de Kruldistel "langs de wegen en aan wallen" (Holkema, 1870). De Knikkende distel wordt in deze publicatie voor geen van de Waddeneilanden genoemd. De Knikkende distel heeft zeer waarschijnlijk pas in de beginjaren '60 van de vorige eeuw zijn entree op het eiland gemaakt. Dit als gevolg van de aanvoer van Maasklei, gebruikt bij de aanleg van o.a. de "afsluitdijk" van de voormalige Westerkwelder en Johannuspolder (Westhoff et al., 1991). Na de aanleg van deze dijk (1962-1963) verscheen hier de Knikkende distel, die zich op deze plaats tot op heden heeft weten te handhaven

De morfologie van de bastaardvorm van Kruldistel en Knikkende distel

Om een inzicht te krijgen in de morfologie van de bastaard van beide soorten is hybridenmateriaal verzameld in gemengde populaties en vergeleken met materiaal uit niet gemengde populaties van beide oudersoorten.
In totaal zijn 15 planten, gelijkelijk verdeeld over de 2 oudersoorten en de bastaard, onderzocht.
Voor de Kruldistel is voor dit doel een populatie in de berm van de Prins Bernhardweg ter hoogte van de Berkenplas gekozen en voor de Knikkende distel de oorspronkelijke (geïntroduceerde) populatie op de met Maasklei versterkte afsluitdijk van de voormalige Westerkwelder en Johannuspolder.
Op basis van de gevonden resultaten kan de bastaard van Kruldistel en Knikkende distel op Schiermonnikoog als volgt worden getypeerd:

Habitus en kleur van de bladeren (dof donkergroen, niet glanzend) als van de Kruldistel (Carduus crispus L.), met tenminste aan de top van de hoofdstengel een aantal lang (gem. 5-6,5 cm) gesteelde knikkende bloemhoofdjes (Fig. 1), met een gemiddelde diameter van het omwindsel van 13 -15 cm ( intermediair tussen beide oudersoorten).
Lengte van de omwindselbladen (gemeten vanaf de basis van de aanhechting) 12-15 mm, soms langer, meer "stekend" dan die van de Kruldistel en met een stekel aan de top van 1.5-2 mm.
Vruchten als die van de Knikkende distel (Carduus nutans L), soms urn-vormig. De beharing van zowel het omwindsel als de stengelbladeren vertoont kenmerken van beide ouders.

Bloeitijd juli - september.

Figuur 1. De bloeitoppen van C. crispus (1), C. nutans x C. crispus (2) en C. nutans (3)

Opm.: De zaadzetting van de bastaard is zeer wisselend, meestal konden per plant maar weinig gevulde vruchten worden gevonden, die echter wel voor het overgrote deel (70%) kiemkrachtig bleken te zijn.

De verspreiding (in de jaren 2002, 2003 en 2004) van de Kruldistel, Knikkende distel en de bastaard van beide soorten op Schiermonnikoog. (Fig.2)

De Kruldistel wordt vooral gevonden in bermen van wegen ten Oosten van het dorp in de Banckspolder en langs de Prins Bernhardweg. De meest oostelijke vindplaats van deze soort op het eiland is een berm langs het schelpenpad in de kooiduinen ten Noorden van de eendenkooi. Daarnaast is deze soort gevonden in de berm van de Westerburenweg, de duinovergang naar het Badstrand aan het einde van de Prins Bernhardweg en bij de duinovergang naar het Rif ten Zuiden van de Westerplas.

De Knikkende distel wordt gevonden op de met Maasklei versterkte "afsluitdijk" van de Westerplas en de droge duinen ten Zuidwesten van deze plas.
Verder wordt deze soort veelvuldig aangetroffen bij duinovergangen naar zee en op een enkele ruderale (stort) plaats ten Noorden van het dorp ( hier in 2004 verdwenen). Een opvallende groeiplaats van de Knikkende distel is de berm van het Cornelis Visserpad tussen de ijsbaan en de Berkenplas. Op deze plek, met oude zeer schrale en met vooral met blad- en korstmossen begroeide duintjes, wordt de Knikkende distel o.a. samen met Engels gras (Armeria maritima Willd) aangetroffen. Het voorkomen van Engels gras als begeleider duidt zeer waarschijnlijk op aanvoer (plaggen ter versterking van de berm?) van materiaal van elders.

Opvallend is dat op meerdere plaatsen, o.a. bij de duinovergangen naar zee, Kruldistel en Knikkende distel is een zelfde biotoop voorkomen.
De bastaard is in totaal op vijf plaatsen (Fig.2) op Schiermonnikoog aangetroffen:
1) in de berm van de Prins Bernhardweg aan de binnenzijde van de duinovergang naar zee in de jaren 2002, 2003 en 2004,
2) in de berm van de duinovergang naar het Rif ten Zuiden van de Westerplas in de jaren 2002 en 2003,
3) in de berm van de Westerburenweg in het jaar 2002,
4) in de berm van het Melle Grietjepad ten Westen van het dorp in het jaar 2002,
5) aan het einde van de Westerburenweg aan de binnenzijde van de duinovergang naar zee, in het jaar 2004.

Het maaibeheer en het voorkomen van Kruldistel en Knikkende distel op Schiermonnikoog.
Een gebruikelijke beheersmaatregel door de jaren heen op Schiermonnikoog is dat in de zomermaanden de bermen van wegen en fiets(schelpen)paden worden gemaaid. Hierbij wordt het maaisel afgevoerd.
In de jaren 2002, 2003 en 2004 is met name ook de "afsluitdijk" van de voormalige Westerkwelder en Johannuspolder in de maanden juli en augustus gemaaid en het maaisel afgevoerd. Op deze plaats wordt de Knikkende distel gevonden samen met o.a. Ruige weegbree (Plantago media L.), Echte kruisdistel (Eryngium campestre L.), Brede ereprijs (Veronica austriaca L.) en Heksenmelk (Euphorbia esula L.). Een combinatie van soorten die ongetwijfeld verband houdt met de aanvoer van Maasklei in de beginjaren '60.
Daarnaast wordt sinds lang maaisel aangewend om de duinovergangen naar de zee van een strooisellaag te voorzien om op deze wijze verstuiving van het zand tegen te gaan en om deze paden beter begaanbaar te maken.

Conclusie.
Het maaibeheer op de met Maasklei versterkte afsluitdijk (Westerkwelder en Johannuspolder, de oorspronkelijke groeiplaats van de Knikkende distel), gevolgd door transport van het maaisel over het eiland en de toepassing daarvan als bedekking van de zandpaden met name bij de duinovergangen naar zee, lijkt een belangrijke verklarende factor voor het niet-aaneengesloten verspreidingspatroon van de Knikkende distel op het eiland.
Het maaibeheer van de bermen in de polder (groeiplaats van de Kruldistel) waarbij het maaisel wordt afgevoerd naar o.a. de duinovergangen naar zee, kan eveneens het voorkomen verklaren van de Kruldistel langs de zandpaden op de duinovergangen naar zee.

Bastaardvormen zijn in bijna alle gevallen, met uitzondering van de vondst langs het Melle Grietjepad ten Westen van het dorp (3) en aan het einde van de Westerburenweg (5), op plaatsen gevonden waar ook beide oudersoorten zijn aangetroffen.
Wanneer we uitgaan van het gegeven dat de Kruldistel en de Knikkende distel oorspronkelijk in verschillende biotopen en dus ecologisch gescheiden voorkwamen (wel met een overlap in bloeitijd), dan kan uit de waarnemingen gedaan op Schiermonnikoog de conclusie worden getrokken dat het voorkomen van de bastaarden van beide soorten sterk door menselijke invloeden is bepaald, te weten door:
Introductie van de Knikkende distel samen met de aanvoer van Maasklei in de jaren '60 van de vorige eeuw.

Maaibeheer van met name de "Afsluitdijk" van de voormalige Westerkwelder en Johannuspolder (de oorspronkelijke groeiplaats van de geïntroduceerde Knikkende distel), de bermen van wegen en paden in de polder en de berm langs de Prins Bernhardweg (groeiplaats van de Kruldistel).

Transport van het maaisel over het eiland o.a. naar de duinovergangen naar zee.
(Met dank aan Eric Augusteijn voor de hulp bij het vervaardigen van de afbeeldingen bij dit artikel).

Schiermonnikoog, 22 december 2004
Drs. Ing Vijko P.A. Lukkien
Pipasi Jeurissen
Universiteit Utrecht, Faculteit Biologie
Postbus 80084
3508 TB Utecht
v.p.a.lukkien@bio.uu.nl

Literatuur
1. F. Holkema. 1870. De plantengroei der Nederlandsche Noordzee-eilanden. Diss. Groningen. Holkema. Amsterdam.
2. V. Westhoff & M.F. van Oosten. 1991. De plantengroei van de Waddeneilanden. Bibl. KNNV, nr. 53, Utrecht.

print